
Het gezicht dat overblijft
Denk aan een inwoner die al drie maanden wacht op een besluit van het UWV. Ze heeft twee keer gebeld, een formulier opnieuw ingevuld en kreeg steeds iemand anders aan de lijn. Wat zij van de overheid ziet, is geen organogram en geen fte-overzicht. Ze ziet een gezicht, of juist het ontbreken daarvan.
Deze week maakte staatssecretaris Eric van der Burg bekend dat de rijksoverheid in 2035 zo’n 25.000 voltijdbanen minder moet tellen. Dat is ongeveer 16 procent van het huidige apparaat. Politie en defensie blijven buiten schot. Uitvoeringsorganisaties als UWV, IND en Belastingdienst niet.
Ik heb vele jaren aan de binnenkant van de overheid gewerkt, de laatste jaren als gemeentedirecteur. Ik begrijp de wens om de rijksdienst kleiner te maken. Maar het debat gaat vooral over aantallen en bedragen, en nauwelijks over wat inwoners straks nog van de overheid zien. Dat is een gemiste kans.
Het kabinet heeft een punt
Laat ik beginnen met waar ik het kabinet gelijk geef. In 2021 werkten ruim 139.000 mensen bij het Rijk, vorig jaar ruim 168.000. Wie in die jaren als inwoner met de overheid te maken had, merkte niet dat alles daardoor sneller, eenvoudiger of menselijker werd. Het kabinet schrijft dat zelf ook: als regels zich opstapelen, groeit het apparaat mee zonder dat inwoners en ondernemers er iets van merken.
De richting die Van der Burg kiest, spreekt me aan. Minder uitzonderingen in wetten, vaker nee zeggen, minder adviescolleges (het zijn er 176) en minder wetsevaluaties. “Met minder uitzondering op uitzondering wordt het werk eenvoudiger”, zegt hij. Op het eerste gezicht is daar weinig tegenin te brengen. Elke uitzondering in een wet is werk voor een ambtenaar en een extra drempel voor een inwoner.
Het kabinet zegt bovendien dat krimp geen doel op zich is. Het gaat om een productievere overheid en om mensen vrijspelen voor onderwijs, zorg en veiligheid. In een krappe arbeidsmarkt is dat een redelijk argument.
Maar zijn het wel de regels?
Albert Jan Kruiter van het Instituut voor Publieke Waarden zette deze week op een rij wat zijn instituut sinds 2008 heeft onderzocht naar regels die “in de weg zitten”. De uitkomst is telkens ongeveer dezelfde: het zijn zelden de regels zelf.
Mensen lopen vast op regels die met elkaar botsen, op de hoeveelheid voorzieningen, op hoge caseloads en op partijen die niet samenwerken. Uit vijftien jaar onderzoek naar vastgelopen casuïstiek blijkt dat financieringsvormen, verantwoordingseisen en governance veel zwaarder wegen. En vaak bestaat de regel die iets zogenaamd verbiedt helemaal niet.
Dat maakt de rekensom van het kabinet wankel. Wie 25.000 banen wil terugverdienen met het schrappen van regels, gaat ervan uit dat regels het probleem zijn. Maar vereenvoudigen gaat meer over harmoniseren en samenvoegen dan over schrappen. En het werkt alleen als je ook financiering en verantwoording aanpast. Dat is precies het werk waar je goede ambtenaren voor nodig hebt.
Waarom het tot nu toe niet lukte
Er is ook reden voor scepsis. Vrijwel elk kabinet van de afgelopen twintig jaar wilde minder ambtenaren, en vrijwel elk kabinet eindigde met meer. Rekenkamerpresident Pieter Duisenberg noemde het streven naar een kleinere rijksdienst “dweilen met de kraan open”.
Die kraan is de politiek zelf. Het patroon kennen we allemaal. Er gaat iets mis, het staat in de krant, de Kamer stelt vragen, de minister belooft een oplossing en ambtenaren schrijven een nieuwe regel. Die regel moet worden uitgevoerd, gecontroleerd en geëvalueerd. Bij het volgende incident begint het opnieuw.
Van der Burg erkent zelf dat efficiënter werken niet genoeg is. Er moet ook gekozen worden welke taken de overheid minder doet of helemaal laat vallen. Die keuzes zijn nog niet gemaakt. Zolang dat zo blijft, is 25.000 een getal en nog geen plan.
Minder ambtenaren en minder inhuur
Er zit nog een spanning in het plan. Het kabinet wil niet alleen minder ambtenaren, maar ook minder externe inhuur. De afspraak is al jaren dat hooguit 10 procent van de personeelsuitgaven naar externen gaat. In 2023 was dat ruim 15 procent, in de eerste helft van 2025 nog 11,4 procent.
Die daling heeft een keerzijde. Het kabinet noemt zelf als verklaring voor de groei dat specialistische kennis, zoals IT, vaker in vaste dienst wordt genomen. Wat je op inhuur wint, zie je terug in het aantal fte. Krimp je het vaste apparaat daarna fors, dan komt het werk al snel via de achterdeur terug, als dure inhuur. Dan druk je op een waterbed.
Externen bieden nu flexibiliteit: snel op- en afschalen bij pieken en crises. Wie minder wil inhuren én kleiner wil worden, moet die wendbaarheid dus zelf organiseren. Met ambtenaren die makkelijk over de grenzen van hun ministerie heen bewegen, breed inzetbaar zijn en blijven leren. Een kleinere overheid kan alleen wendbaar zijn als ze in haar eigen mensen investeert, juist in de jaren dat ze krimpt.
Een overheid is meer dan capaciteit
Mark Moore leert ons dat een publieke organisatie alleen goed werkt als drie dingen in balans zijn. Ze levert publieke waarde: iets wat de samenleving echt beter maakt. Ze heeft legitimiteit: steun van politiek en inwoners voor wat ze doet. En ze heeft de operationele capaciteit om het waar te maken. Het plan van het kabinet gaat bijna alleen over die laatste hoek. Hoeveel mensen, hoeveel bureaus, hoeveel ICT-systemen.
Maar de drie hoeken hangen aan elkaar. Wie aan de ene trekt, verschuift de andere twee. Sluit het loket en zet alles in een app, en je wint capaciteit. Maar wie de app niet snapt, belt drie keer, komt toch langs en vertrouwt de overheid daarna net iets minder. Per saldo heb je dan weinig bespaard.
De inwoner aan het loket vraagt niet hoeveel ambtenaren er zijn. Ze vraagt: krijg ik waar ik recht op heb? En kijkt er iemand naar mijn situatie? Een krimp die die vragen overslaat, kan op papier slagen en in de praktijk mislukken. Het apparaat is dan kleiner, maar de wachtrij langer en het vertrouwen lager. En verloren vertrouwen win je niet terug met een efficiencyslag.
Als we met minder ambtenaren gaan werken, moet de overheid eerlijk uitleggen wat er dan niet meer kan. Over dat gesprek hoor ik nog weinig.
Welke ambtenaar heb je nodig?
In De Ideale Ambtenaar onderscheiden Bas van Leeuwen en ik drie rollen: de Bureaucraat, de Ondernemer en de Verbinder. De Bureaucraat zorgt dat iedereen gelijk wordt behandeld en dat besluiten kloppen. De Ondernemer zoekt naar slimmer en goedkoper werken. De Verbinder houdt beleid, uitvoering en inwoners met elkaar in contact. Dat zijn geen drie soorten mensen. Iedere ambtenaar heeft ze alle drie in zich. Het vakmanschap zit erin te weten welke rol een situatie vraagt, en daartussen te kunnen schakelen.
Wie de kabinetsplannen leest, ziet vooral de Ondernemer aan het werk. Facilitaire diensten versoberen, ICT standaardiseren, AI inzetten. Daar is niets mis mee. Maar een overheid die alleen die rol aanspreekt, kan sneller en goedkoper worden, en tegelijk kouder.
Wie regels en uitzonderingen schrapt, legt bovendien meer werk bij het oordeel van de professional. Als de wet niet meer elke situatie voorschrijft, moet iemand aan de balie of achter het dossier zelf afwegen wat redelijk is. Dan is de Verbinder aan zet: ervaring, lef en de ruimte om te handelen. Minder regels betekent dus niet vanzelf minder mensen. Het vraagt ambtenaren die die rol durven te pakken, en een organisatie die hen daarin vertrouwt.
En de Bureaucraat? Die wordt in dit debat vaak als het probleem gezien, maar dat is onterecht. Een goede Bureaucraat gebruikt regels als gereedschap om beleidsdoelen te halen, niet alleen om rechtmatigheid te bewaken. Kruiter pleit voor de kunst van goede regels maken, naast het schrappen van slechte. Dat is vakmanschap. En vakmanschap kun je niet wegbezuinigen.
In ons nieuwe boek Het Gezicht van de Overheid, dat volgend jaar verschijnt, noemen we dat de beweging van regels naar relaties. Het kabinet hoopt veel van de krimp op te vangen met natuurlijk verloop en het niet meer vervullen van vacatures. Dan kies je niet wie er blijft. Dan bepaalt het toeval welke kennis en welke gezichten verdwijnen.
Wat ambtenaren zelf kunnen doen
Wachten tot Den Haag de keuzes maakt, is geen optie. Ambtenaren kunnen zelf ook iets doen, en dat begint niet bij het beschermen van de eigen baan.
- Zeg vaker nee, of in elk geval: zo niet. Is een nieuwe regel onuitvoerbaar of voegt hij weer een uitzondering toe? Zeg het op tijd en hardop. Het kabinet vraagt er zelf om: ambtenaren horen signalen over onbedoelde gevolgen terug te leggen bij de bewindspersoon.
- Vraag waar het staat. Als een collega of een systeem zegt dat iets niet mag, vraag dan naar de regel. Vaak blijkt die niet te bestaan, of ruimer te zijn dan gedacht.
- Kijk naar je werk door de ogen van de inwoner. Welk deel van wat je doet, merkt iemand buiten het gebouw? En welk deel dient vooral de organisatie zelf?
- Maak de keuzes zichtbaar. Als er minder mensen komen, moet duidelijk zijn wat er niet meer gebeurt. Help je bestuurder om dat eerlijk te vertellen, ook als het ongemakkelijk is.
Een kleinere overheid kan een betere overheid zijn. Maar alleen als we eerst vragen wat inwoners van ons nodig hebben, en pas daarna tellen hoeveel mensen daarvoor nodig zijn. Het debat gaat nu over 25.000. Het zou moeten gaan over het gezicht dat overblijft.

